Verscholen in een bosje, onopvallend en onzichtbaar voor nietsvermoedende voorbijgangers
Verscholen in een bosje, onopvallend en onzichtbaar voor nietsvermoedende voorbijgangers Foto: Lise Donné


Ingedamd

Als je zou zeggen dat ik per abuis in de rimboe ben beland, zou ik het ook hebben geloofd. In het doorgaans drassige - nu vooral droge - gebied rondom Aijen kruist een opzienbarend figuur, gekleed in mosgroen mijn pad. Of eigenlijk is er geen pad, noch sprake van een kruising. Deze man, gehuld in een lange broek, laarzen en hoed, manoeuvreert zich routineus en planmatig door de gewassen heen. Om zijn nek bungelt gereedschap, ik vermoed ook zijn telefoon met camera. We leven immers in de moderne tijd, zelfs het wolvenkind Mowgli zou er nu eentje gehad hebben. 


Gefocust als hij is, heeft hij mijn nadering nog niet in de smiezen. Da´s mooi, bedenk ik. Zo kan ik onopvallend hoognodig toiletteren bij een bosje langs de weg. Een evenzo mosgroen busje staat langs de weg te wachten, waarschijnlijk trouwe dienst doende tijdens de inspectie van deze man. Ik wil hem roepen, vragen waar hij precies mee bezig is. Maar dat voelt wat ongepast, alsof ik de habitat hier zou kunnen verstoren. Toegegeven; toiletteren in die habitat ís van zichzelf al wat ongepast, maar afijn. Soms heb je weinig keus.


Gehurkt zat ik onhandig in het hoge gras en hoorde geritsel. "Oh, hallo!” Pal achter mij verscheen plots de mosgroene man, nog steeds gewapend met apparatuur, met een vriendelijke glimlach op zijn gezicht. "Je kunt beter áchter de bosjes gaan zitten, hier ziet iedereen je”, zei hij. Ik lachte wat ongemakkelijk, had het kunnen weten. Dit moest zo zijn. En nee, niet op een romantische manier natuurlijk, temeer omdat de omstandigheden daar mijlenver vandaan waren. Nog net kon ik omhoog klauteren terwijl hij naar zijn busje beende. Dit was mijn kans: "Wat was je daar nu precies aan het doen?”


"Ik volg hier de bever. Hij is, hoewel omstreden, eigenlijk een heel mooi beestje. Ze staan natuurlijk bekend om het maken van dammen om hun hol, dat deels onder het wateroppervlak ligt, te beschermen. In dit gebied graven ze er op los. Bedreigend voor onze dijken natuurlijk. Moeilijk te zien, maar hieronder gebeurt van alles” De man wijst meerdere richtingen op. Ik, nog onstabiel omhoog komend vanuit mijn onverwachte plasonderbreking, probeer zijn vinger te volgen. “Ahh ja” zeg ik, zonder daadwerkelijk iets te zien. Misschien moet ik de volgende keer de laarzen aantrekken en meegaan.


“Het blijft hier een spanningsveld, maar ook een samenspel tussen dier, natuur en mens”, gaat de man verder. “Het is eenzijdig om de bever als stoorzender te zien, hij is namelijk ook heel nuttig, ingenieus en helpt op een natuurlijke manier bij herstructureren van waterhuishouding.” Ik luister aandachtig. Hier speelt geen geroutineerd bandje af; hier spreekt iemand met bevlogenheid. Het blijft een vreemde manier van treffen, zo half vanuit de bosjes, maar ik krijg alsnog antwoord op mijn vragen. Ingedamd ben ik, tussen de habitat van de bever, het plasbosje en de man. 


Hoe gaat de bever zelf eigenlijk om om met de steeds langer aanhoudende droogte, vraag ik me later nog af. In wezen is ook hij ingedamd. Door de zomer, die pas net begonnen is. 


Het antwoord zal ongetwijfeld volgen, wanneer ik het mosgroene busje in de berm weer tref.