
Bergen rond 1880
Algemeen Hobby & vrijetijd Ingezonden Kunst & cultuurRond 1880 was de gemeente Bergen een landelijke gemeenschap langs de Maas, gevormd door Well, Afferden, Bergen, Heijen en Siebengewald. Er woonden nog geen vijfduizend mensen. De meeste gezinnen leefden van landbouw en veeteelt. De grote landbouwcrisis van die tijd drukte zwaar op het bestaan: oogsten mislukten, prijzen daalden en armoede was wijdverspreid. Voor velen was welvaart een onbekend begrip.
In 1879 nam burgemeester Karel Elders afscheid na meer dan veertig jaar dienst. Zijn opvolger werd Theodorus Wilhelmus Otten, die al sinds 1861 wethouder was. Het gemeentebestuur was klein: een secretaris, ontvanger, klerk en vijf veldwachters. Veel werk gebeurde eenvoudigweg bij de burgemeester thuis, in zijn woning bij kasteel Heijen.
Voor de volkstelling werd Bergen verdeeld in vijf wijken, van A tot E. De telling toonde dat de bevolkingsgroei achterbleef. Terwijl Nederland in de negentiende eeuw bijna verdubbelde, groeide Bergen met slechts 39 procent. De grond was arm en werkgelegenheid buiten de landbouw ontbrak. Slechts een kleine groep mannen had kiesrecht; vrouwen waren uitgesloten.
De Maas bracht leven, maar ook gevaar. In 1879 en 1880 overstroomde de rivier grote delen van de gemeente. De zomervloed van 1879 verwoestte velden met graan, aardappelen en erwten. Een jaar later, rond Kerstmis, steeg het water opnieuw tot recordhoogte. Huizen, akkers en vee gingen verloren.
Burgemeester Otten richtte een watersnoodcommissie op om geld in te zamelen. De opbrengst was gering, maar de provincie kende ruim 17.000 gulden schadevergoeding toe. Vooral de armste boeren kregen steun. Toch duurde het jaren voor het herstel voltooid was.
Rond 1880 kende Bergen geen fabrieken, maar wel kleine ambachtelijke bedrijven. Er waren zes bierbrouwerijen, vijf steenbakkerijen, een oliemolen, een touwslagerij en enkele windmolens. Ze werkten vooral voor de eigen streek.
De markten vormden het centrum van de handel. In Well vond wekelijks een graanmarkt plaats; in Bergen en Heijen waren veemarkten waar koeien, paarden en varkens werden verkocht. Een goed paard bracht rond 400 gulden op - een aanzienlijk bedrag in een tijd waarin een dagloner nauwelijks 75 cent verdiende.
De gemeentelijke inkomsten in 1881 bedroegen ruim 13.000 gulden, vooral uit pacht van landerijen, jacht- en vis-rechten. Belastingen leverden weinig op. De burgemeester verdiende 525 gulden per jaar, wethouders 100 gulden, de secretaris 450 gulden en veldwachters 300 gulden. Schoolhoofden ontvingen met 665 gulden het hoogste salaris. Dagloners kregen slechts 60 tot 75 cent per dag en timmerlieden 1,25 gulden.
De grootste uitgavenpost was het armwezen. Meer dan tweeduizend gulden ging naar hulp aan armen, zieken en ouderen. De vroedvrouw ontving 300 gulden per jaar; ook de verzorging van krankzinnigen werd door de gemeente betaald. In een tijd zonder verzekeringen of pensioen was dit sobere vangnet van levensbelang.
Brand was een voortdurend risico. De gemeente beschikte over zeven brandspuiten, maar door grote afstanden en gebrek aan water kwam hulp vaak te laat. De grote brand van 1881 in het centrum van Bergen verwoestte meerdere huizen en bedreigde zelfs de kerk. Dankzij gezamenlijke inzet bleef het dorp grotendeels gespaard.
Datzelfde jaar werd de Rijkspost-spaarbank opgericht. Burgemeester Otten pleitte voor spaarloketten in Bergen, Heijen en Afferden, zodat ook dienstmeiden en arbeiders konden sparen. Het was een bescheiden maar symbolische stap richting vooruitgang.
De jaren rond 1880 tonen een gemeente die, ondanks armoede, wateroverlast en branden, veerkrachtig bleef. De oprichting van scholen, spaarvoorzieningen en kleine bedrijven markeerde het begin van een modernere samenleving.
Deze bijdrage is tot stand gekomen dankzij Stichting Archief Bergen Toen en Nu, bereikbaar via e-mail op:
info@bergentoenennu.nl
Fred Fransen