
De gildes van Bergen en Aijen
Algemeen Hobby & vrijetijd Kunst & cultuurEen gilde was vroeger een vereniging van personen met hetzelfde doel, beroep of vakgebied. Nauw verbonden met de St. Petrus Parochiekerk te Bergen, daterende uit de 11e eeuw, bestond het “St. Petrus / St. Antonius” Gilden Broederschap. Rond 1577 verkaste het gilde van Bergen naar hun kapel in Aijen. Vanaf 1612 tot 1902 is er in Bergen sprake van één gilde met twee beschermheiligen of schutspatronen, namelijk St. Petrus en St. Antonius.
Op 1 juli 1612 werden de regels en gebruiken van het Sint-Petrusgilde in Bergen, samen met die van Sint-Antonius, opnieuw vastgelegd door pastoor en gildemeester Joannem Moermans en de gezamenlijke broeders. Zij wilden dat deze afspraken blijvend in herinnering zouden blijven.
Ordonnantie en statuten van de gildebroeders van het Sint-Petrusgilde en Sint-Antoniusgilde
De gildebroeders die officieel tot de broederschap waren toegelaten en hun bijdrage hadden betaald, moesten drie keer per jaar samen met hun echtgenotes deelnemen aan de offergang. Dat gebeurde tijdens de mis, zodra het Evangelie was gelezen of gezongen: op de feestdag van Sint Petrus en Paulus, op die van Sint Antonius en op het feest van Sint Petrus in de boeien. Wie afwezig was, kreeg een boete, meestal in de vorm van een hoeveelheid bier.
Tijdens de bijeenkomsten werd er streng op toegezien dat de broeders zich netjes gedroegen. Ruzie maken of schelden leverde een stevige boete op, en wie zich liet gaan tot vechten of zelfs messentrekken, moest nog dieper in de buidel tasten. Toch bleven ze ondanks zulke straffen lid van de gilde, tenzij de plaatselijke heer zijn eigen rechten opeiste.
Een belangrijk jaarlijks hoogtepunt was het vogelschieten op de dag van Sint Petrus en Paulus. Alle broeders moesten erbij aanwezig zijn, of iemand in hun plaats sturen, en niemand mocht weggaan voordat de houten vogel was afgeschoten. De winnaar werd uitgeroepen tot “koning” van de gilde. Hij kreeg een nieuwe hoed als ereteken, zonder dat hij daarvoor hoefde te betalen, maar had wel de plicht om het volgende jaar de vogel opnieuw op de schietboom te zetten. Ook werd van hem verwacht dat hij hoffelijk omging met de maagden, die hem bij die gelegenheid een krans aanboden.
Naast religieuze plechtigheden en schietwedstrijden kende het gilde ook sociale verplichtingen. Op de feestdag van Sint Petrus en Paulus, of de eerstvolgende zondag, kwamen de broeders en hun vrouwen samen om twee dagen feest te vieren. Wie zonder geldige reden wegbleef, kon rekenen opeen boete.
Wanneer een gildebroeder overleed, mocht zijn weduwe de rest van haar leven deel blijven uitmaken van de broederschap en genoot zij dezelfde voordelen als haar man. Ter nagedachtenis van de overleden broeders en zusters werd bovendien ieder jaar een speciale herdenkingsdag gehouden, op de eerste vrijdag na Pinksteren. Dan werd er een gezongen mis opgedragen, en kregen de armen brood uitgedeeld, gebakken van rogge die door de gilde beschikbaar werd gesteld.
Soms vertrokken gildebroeders in krijgsdienst of verlieten tijdelijk de streek. In die periode verloren zij hun rechten binnen de gilde, maar zodra ze terugkeerden en zich netjes gedroegen, konden ze opnieuw worden opgenomen en alle voorrechten herwinnen.
In 1644 werd nog een belangrijke regel toegevoegd: tijdens de vergaderingen was het voortaan verboden om te kaarten of andere gokspelen te spelen. Wie zich daar toch aan waagde, kreeg een zware boete van een verdel bier (oude inhoudsmaat circa 40 liter), die onmiddellijk geïnd werd.
De kerkelijke feestdagen van Petrus en Paulus zijn op 29 juni, van Antonius op 17 januari.
Deze bijdrage is tot stand gekomen dankzij historicus Rien van den Brand, bereikbaar via e-mail:
info@bergentoenen.nl
Fred Fransen





































