
Armoe en ellende in Siebengewald
Algemeen Hobby & vrijetijd Ingezonden Kunst & cultuur Maatschappelijke discussieIn 1930 bezoekt een journalist van de Nieuwe Venlose Courant Siebengewald. Hij treft een dorp aan “gegroepeerd om een bevallig kerkje, met een ruim schoolgebouw en wijde vergezichten op welgebouwd land, malse weiden en goed onderhouden bongerden”. Hij vraagt zich daarom af “hoe ter wereld de verhalen omtrent de armzalige bezembinders en het smokkelaarsnest ontstaan zijn”. Volgens hem wijst anno 1930 alles op de aanwezigheid van welvaart en een arbeidzame bevolking. Hij wil meer weten over hoe het vroeger - zo’n 40 jaar eerder - was; en wat de redenen zijn geweest voor de ontwikkeling ten goede. Hij trekt op onderzoek uit en bevraagt ouderen uit het dorp over wat zij over de opkomst van hun dorp weten.
Het volgende citaat uit zijn krantenartikel zegt alles over hoe het er eerder in Siebengewald voorstond: “Voor veertig jaar … was [er] nauwelijks een armzaliger plek denkbaar. Helemaal verloren in de wijde plooien van een onafzienbare hei een triestige armzalige nederzetting van enige plaggenhutten waarin de armoede rondspookte”. En inderdaad, in een brief van rond 1860 preciseert de pastoor van de parochie Afferden - hieronder viel destijds ook Siebengewald - de schaal van die armoede. Volgens hem telde het dorp slechts vijf boeren die hun gezin kunnen onderhouden. De rest van de bevolking was doodarm. Alleen de armenzorg van de kerk en de gemeente bood de armen nog enig soelaas.
De journalist meldt dat een ernstig gebrek aan inkomsten samenging met een belabberde huisvesting: “Verreweg de meeste hutten waren van plaggen opgebouwd en hadden slechts een vertrek, waar alles bij elkander hokte. De kinderen sliepen meestal onder wat zakken en lompen op een lemen vloer…”. Het laat zich raden dat door dit alles de gezondheid van deze arme mensen behoorlijk te wensen overliet. Uit eigen berekeningen weten we dat destijds één op de vijf kleine kinderen binnen zes jaar na geboorte overleed.
Sommige inwoners konden er, los van wat geiten, ook een koe op nahouden. Maar de fysieke conditie daarvan was ronduit slecht en de melkafgifte dus laag. Het heeft even geduurd voordat men achter de oorzaak kwam: het vee werd, bij gebrek aan gras, gemalen hei gevoerd.
Volgens de journalist was er in Siebengewald rond 1890 geen school [niet juist: die stond er al vele jaren]. Maar of de wat oudere kinderen nog veel naar school gingen, valt te betwijfelen. Velen gingen werken in Duitsland, hetzij als seizoenkracht, hetzij als boerenknecht of meid. Hij meldt ook dat slechts één volwassene in het dorp kon lezen en schrijven. Maar dat lijkt een tikkeltje overdreven.
Ondanks de miserabele omstandig-heden verloor niet iedereen in Siebengewald zijn gevoel voor (galgen)humor. Ergens in het dorp stonden, tegen elkander gezakt, twee krakke-mikkige plaggenhutten. Vlakbij maar apart, stond een derde hut met de veelbetekenende ietwat sarcastische naam ‘Ik kan oe niet helpe’....
Volgens de journalist markeert de vestiging in Goch van de Anton Jurgens’ Margarinefabrieken omstreeks 1886 het begin van een beslissende ommekeer. Daardoor nam de vraag naar melk gestaag toe en kwam er dus meer geld, ook voor beter veevoer. Tegelijkertijd kwam er kunstmest op de markt waarmee akkers en weidegronden verbeterd konden worden. Hieraan voegen wij toe dat ook de grootschalige ontginningen in Siebengewald vóór 1930 beslissend hebben bijgedragen aan tot de totstandkoming van het dorp dat de journalist bij zijn aankomst aantrof.
Deze bijdrage is tot stand gekomen dankzij het Siebengewalds Archief, bereikbaar via e-mail op
Fred Fransen


































